Door Martine

Nu de temperatuur naar beneden is gedaald, loop ik regelmatig naar ons halletje toe. ’s Morgens bij het opstaan is de eerste bestemming de thermostaat. Uit mijn werk thuis aangekomen, check ik eerst of de verwarming aanstaat. Vooral de huiskamer, op de hoek van ons huis, koelt sterk af. Gelukkig kunnen we daar, naast de verwarming aanzetten, nog iets meer aan doen. Middenin de woonkamer prijkt onze gaskachel. Heerlijke warmte kan daaruit komen, die ik als koukleum zeer kan waarderen.

Op woensdagmiddag zat ik in de woonkamer achter de computer te werken. Uiteraard met een kop thee, mijn sloffen aan, kruik erbij en de verwarming aan. Zonder afleidende telefoontjes, collega’s, emails en wat niet al, kon ik eindelijk eens ongestoord aan de slag. Het protocol voor mijn werk moest en zou afkomen die dag. ‘Frrrrrrrt, ritsel, pieeeep’. Uit de schoorsteen klonken geluiden. Ik kon een zucht niet onder drukken. Vastbesloten om mezelf er niet door af te laten leiden, werkte ik door. Even later. ‘Krrr, rommel-de-bommel.’ Deze geluiden kwamen duidelijk van het dak. Het vermoeden wat er aan de hand was, negeerde ik. Niet nu, het komt niet goed uit. ‘Frrrt, krrrt.’ Ik werkte door. Het protocol vorderde. Na een volgend geritsel en gefladder vanuit de schoorsteen werd het gaandeweg stil. Eind de middag was het protocol af. Zo, dat was tenminste gelukt.

Julian kwam thuis. Hij was niet in zijn beste stemming, hij had vast weer gedoe op het werk gehad. ‘Uhm Julian, ik heb het vermoeden dat er een vogel in de schoorsteen zit.’ Aan zijn blik te zien, werd Julian van dit bericht niet opgewekter. ‘Die gaat vanzelf wel dood,’ was zijn antwoord. Dat klonk mij niet bepaald geruststellend in de oren. De hoop verdween dat Julian die avond de vogel wilde vangen. Ik zou in mijn uppie de schoorsteenklep kunnen openen?! Ik zag het scenario al voor mij. Natuurlijk zou dat beestje ontsnappen en door het hele huis vliegen. Nee, die optie was geen optie. We moesten nog gaan sporten, dus veel tijd over was er niet meer. Morgen weer een dag. Misschien was het probleem dan opgelost. Een vogel die er in kan vliegen, kan er net zo goed uit vliegen…

Donderdags kwam ik laat van mijn werk thuis. Julian had het eten klaar, maar was vergeten om de verwarming aan te zetten. ‘Oh, is het hier koud?’ Twee borden stonden er op de keukentafel en ik schoof aan. Na het eten staarde ik, moe en koud, naar de afwas. ‘Zal ik de afwas doen? Dan kan jij vast lekker op de bank gaan zitten met de plaid.’ Julian duwde me richting de bank. Even viel mijn blik op de kaarten die op de grond verspreid lagen. Alsof er een wervelwind door het huis had gewaaid, vreemd. Niet naar kijken Martine, doorlopen, ga naar de bank. Enkele stappen verder op weg naar de bank, bleef ik toch abrupt stil staan. De hele vloer bij de schoorsteen lag bezaaid met schoorsteengruis. Ik voelde me verder inzakken, de bank kon ik vergeten. Nu pas herinnerde ik me gisteren weer… en de vogel in de schoorsteen.

Eerst het gruis opruimen. Ik trok de stofzuiger de kamer in. Toen zag ik in de vensterbank de amaryllis. Elke dag keek ik naar de knop die steeds verder omhoog kwam. Er was geen amaryllisknop meer te zien, alleen lager er her en der stukjes groen. Het kwartje viel: een vogel die in de schoorsteen kan vliegen, kan net zo goed de kamer in vliegen! Waar was dat musje? Ik speurde de kamer af. In de hoek, op de gordijnrail, zat stilletjes een grote stadsparkiet. Zijn groene kop was grijs geworden en hij staarde ernstig naar me terug. ‘Julian, kijk daar!’

Eer ik uiteindelijk op de bank zat, nadat Julian notabene twee grote parkieten uit de kamer had gevangen en we samen de bank, de vloer, de tafel en de kast van de vogelpoep hadden gereinigd, had ik mijn les weer geleerd. Uitstel kan een hoop onnodige bende veroorzaken. Laat staan wat geestelijke traagheid of geestelijke luiheid kan uitwerken. Wat vraagt God mij om vandaag te doen? Dan kan ik dat beter vandaag doen in plaats van morgen.

Door Jeannet de Jong

Onderuitgezakt in de Franse zon las ik afgelopen zomer de roman ‘De grote stilte’ van John Boyne. Ver van de bewoonde wereld werd ik meegenomen in het onthutsende verhaal van de jonge priester Odran Yates, die naïef en gedreven zijn werk in de Ierse katholieke kerk begint. Langzamerhand ontdekt hij om zich heen het totaal verziekte kerksysteem, waar sexueel misbruik door zijn kerkleiding onder de tafel wordt gehouden.

Weer terug in Nederland bleek de roman (opnieuw)  bittere werkelijkheid te zijn en stonden de kranten vol van aangeklaagde priesters, beschadigde slachtoffers en wegkijkende bisschoppen.Wie de reacties ziet die deze berichten oproepen, voelt pijn. Pijn om de afkeer van de kerk die openlijk wordt geuit. Pijn om de smaad die Gods Naam wordt aangedaan. Pijn om een kerk die zo vaak niet is wat ze zou moeten zijn: een veilige haven, waar iedereen mag schuilen onder de schaduw van het kruis. Waar zonden niet worden toegedekt, maar beleden. Waar recht wordt gedaan, ook aan mensen die slachtoffer zijn geworden van misbruik en geweld.

Al te makkelijk kunnen we deze berichten als protestantse kerken naast ons neerleggen en ons van achter De Wekker en het contactblad van CGK-Vrouw hoofdschuddend afmaken van de chaos in de katholieke kerk. Maar het trof mij dat in een analyse naar de oorzaken van deze misstanden niet in de eerste plaats het celibaat of de kerkstructuur werden aangewezen. Meerdere commentatoren wezen vooral op de doofpotcultuur, het niet bij de naam noemen van zonden van geestelijke leiders. Op de afstand die daardoor ontstaat tussen die leiders en de ‘gewone’ gelovige en de ruimte die dat  biedt aan ontsporingen op allerlei terreinen. En daarmee komt het opeens toch heel dichtbij…

Want zijn ook onder ons geen predikanten die -zij het buiten de sfeer van sexueel misbruik- dramatische sporen hebben nagelaten in een gemeente en na eindeloze vergaderingen met commissies gelukkig elders beroepen worden, verhuizen (mét attest) en verder gaan, tot na luttele jaren de geschiedenis zich herhaalt en opnieuw de brokstukken bij elkaar geveegd moeten worden of er uiteindelijk eervol emeritaat wordt verleend?  Klinkt ook hier niet iets van het refrein van ‘toedekken, wegkijken, overplaatsen en opnieuw beginnen’?

En wie kent niet de berichten in de pers van ambtsdragers die gevallen zijn in een zogenaamde ‘grove zonde’? Angstvallig wordt vermeden de dingen bij de naam te noemen, terwijl in de kring van familie of gemeente geworsteld wordt met de impact die de betreffende zonde heeft en alom bekend is wat er speelt. Door het land heen maakt iedereen zijn eigen verhaal en ontstaat een verwrongen beeld.

Hoe zou de Bijbel eruit zien als slechts vermeld zou worden dat Abraham, David, Noach en Petrus een zonde gedaan hebben tegen één van de geboden? Maar nee, onverbloemd laat de Heilige Geest ons weten hoe David vreemd ging met de vrouw van iemand anders, hoe Abraham loog om zijn hachje te redden en hoe Noach en Lot zo dronken waren dat ze niet eens meer wisten wat in hun slaapkamer gebeurde. En wat een bemoediging gaat juist van deze openheid uit. Voor de broeder in de gemeente, die al jarenlang worstelt met zijn verslaving aan alcohol. Voor de jongen die zich elke avond bevredigt achter zijn computer. Voor de vrouw die te ver is gegaan met haar aantrekkelijke collega. 

Er wordt wat af geworsteld met tal van zonden,  ook binnen onze kerken. Een eenzame strijd, die ver afstaat van een ambtsdrager met een aureool van onaantastbaarheid. Laten we daarom samen neerknielen bij het kruis met al onze verborgen en openlijke zonden. En laten we bidden: voor de dominee en de brokstukken van zijn huwelijk, voor de wijkouderling die heeft gefraudeerd, voor de jeugdleider en zijn gokverslaving. En voor ons allemaal, HEERE, want leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want van U is het Koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid, tot in eeuwigheid. Amen.

Door Martine

(Een tip voor hondenliefhebbers en hondenbezitters: deze column hoeft niet gelezen te worden, dit staat iedereen vrij om wel of niet te doen!)

Een tip voor hondenliefhebbers en hondenbezitters: deze column hoeft niet gelezen te worden, dit staat iedereen vrij om wel of niet te doen.

Julian en ik zeggen het vaak gekscherend tegen elkaar: ‘Om onze wijk goed te leren kennen, heb je een hond nodig.’ Alle hondenbezitters kennen elkaar. ‘Zo’n lief klein hondje,’ zegt Julian dan. Ik zie al voor me hoe dat hondje, als ik het dan mag uitlaten, binnen de kortste keren door een van de woeste exemplaren uit de buurt gebeten en opgevreten wordt.

Het is zo: ik ben bang van grote honden. Uiteraard heb ik een buurman met twee dikgespierde honden. Zodat ik regelmatig bij het openen van mijn voordeur een opgetogen begroeting van zijn honden krijg. ‘Goede morgen buurvrouw!’

Deze week had ik een bezoekje bij Laura gepland. Ik kende haar niet goed. Dat ze eenzaam was, was duidelijk. Dat ze veel problemen had, ook. ‘Vind je het goed als ik bij je langs kom, gewoon voor een bakkie?’ Ik hoor nog de verbazing in haar antwoord. De hunkering in haar stem toen ze vroeg of ik dat echt wilde doen. Er kwam nooit iemand bij haar op de koffie.

Ik belde bij haar aan. Op dat moment klonk er een woest geblaf in het huis. O ja.. ze had me verteld dat haar honden alles voor haar waren. Ik vermande me. Wie A zegt, moet ook B zeggen. Inmiddels stonden twee grote honden voor de voordeur te blaffen en te blaffen, zonder teken van leven van Laura. Ik liep terug naar de auto. ‘Hee, hier ben ik hoor. Ik was nog snel even boodschappen doen.’ Laura kwam eraan.

Ik was nog niet binnen gekomen of ik werd uitgebreid begroet, belikt en besnuffeld door maar liefst grote honden. ‘Uhm, ik hou niet zo van honden.’ Laura verzekerde me dat ze drie schatjes van honden had. ‘We kunnen zo met ze gaan wandelen. Iets verderop zit een leuk parkje. Dan rijden we daar even naar toe.’ Dat idee leek me een betere optie dan binnen te zitten in haar kleine huisje, met  die honden.  

Eerst het bakje koffie. ‘Stom, ik ben de melk vergeten. Nee, he, ik heb het nu nodig. Weet je wat, ik ga het snel halen. Blijf jij maar hier, ik ben zo terug.’ Weg was Laura. Daar zat ik dan in haar huis, alleen gelaten met haar drie honden. Ik durfde me niet meer te verroeren of te bewegen. Nauwlettend hielden de honden me in de gaten. Bij elke beweging die ik maakte, loerden ze naar me. Ik voelde dat de honden deze situatie niet accepteerden. Buiten blafte een andere hond. Laura’s jongste hond hief zijn kop ophoog en begon te janken. Toen barstte het tumult los. Binnen de kortste keren hoorde ik alleen gejank, gehuil en geblaf om me heen. Het zweet brak me uit. De oorverdovende herrie duurde voort en ik zat als versteend ertussen.

Wat was ik blij toen Laura terug kwam en de honden stil waren. Ik dacht inmiddels het ergste van de middag te hebben gehad. Alleen nog een rondje wandelen met de honden. Onderweg naar het park,  in Laura’s auto, voelde ik iets nats en harigs in mijn nek. ‘O sorry, hij is helemaal gek op je‘ zei Laura. ‘Er zit daar een gat waar zijn kop precies door past.’ Het toppunt van deze ‘hondenknuffel-ontspannings-training’. Ik ging zo ver als mogelijk was naar voren zitten in de tevergeefse hoop dat het warme natte gevoel uit mijn nek zou verdwijnen.

Eenmaal thuis rende ik naar de douche. Ik voelde me van top tot teen naar hond stinken. Mijn kleren, mijn haren, mijn jas, alles stonk. Zelfs mijn auto rook naar hond. Toen ik die nacht wakker werd en opnieuw de hondengeur rook, wist ik het zeker. Om je naaste lief te hebben, moet je wat over hebben.

 

Door Martine

Ik hoor het haar nog zeggen: ‘Ik ben dol op de herfst. Met mijn neus lopend tegen de stormwind in.’ Ze stak daadwerkelijk haar neus omhoog en naar voren. Ik zag het plaatje voor mij hoe ze de wind trotseerde. Nu vind ik de herfstkleuren prachtig, maar storm en regen ben ik niet zo van. Ook de natte winters zie ik graag weer over gaan in de lente. Behalve dan de winterse dagen dat er sneeuw en ijs ligt, die zijn mijn favoriete uitzondering. Ijs, daar kun je tenminste op schaatsen. En sneeuw, daar heb ik bijna geen woorden voor, zo mooi. Ik kan blijven staren naar de bomen waarvan alle takjes bedekt zijn met een fragiele laag sneeuw. Zodra ik de gelegenheid heb, loop ik buiten en luister ik naar het geknisper onder mijn sneeuwlaarzen.

Zo ook die wintermiddag toen ik het ziekenhuis verliet, knisperde de verse sneeuw onder mijn voeten. Ik nam de witte wereld in mij op, wat was er een flink pak sneeuw gevallen. Auto’s stonden als witte hopen achter elkaar geparkeerd. Bij mijn Corsa aangekomen, stak ik de sleutel in het slot. Of althans dat probeerde ik, de sleutel ging er maar een klein stukje in. Nog een poging, wat meer wrikken. Het hielp niets. Op dat moment schoot de gedachte door mijn hoofd: ‘Nee he, mijn slot is bevroren. Jarenlang droeg ik het flesje met slotontdooier met me mee en nooit had ik het spul nodig. Het flesje had ik daarna bij een tas-opruiming met een grote boog in de prullenbak gegooid.’ Spijtig keek ik naar mijn tas.

Wat nu? Het andere portier proberen. Ook hier ging de sleutel een stukje erin en daarna ging hij met geen mogelijkheid verder. ‘Mmm, ook bevroren.’ Zo heel erg koud vond ik het overigens niet, zou een beetje warme lucht niet helpen? Ik keek eens om me heen, niemand lette op mij. Op mijn knieën ging ik bij het slot zitten en blies, met mijn handen om mijn mond, in het slot. Het stond vast raar, toch leek me dit een betere oplossing dan gelijk hulp te moeten vragen. Met spanning stak ik daarna de sleutel weer in het slot.. hij kwam geen millimeter verder. Ik liep weer eens naar de andere kant van de auto, blies aldaar. Alles zonder effect. Inmiddels begon ik me enigszins opgelaten te voelen. Ik leek wel een inbreker zoals ik om die auto heen liep en aan het slot stond te morrelen. Er kon zomaar eens iemand aan me gaan vragen wat ik aan het doen was en of mijn verhaal dan zo geloofwaardig over zou komen.. Oké, ik had nog één optie. Via de achterklep van de auto erin kruipen. Hoe ik er dan weer uit zou komen, zou ik daarna wel weer zien. Ik deed de sleutel in het achterklepslot en tot mijn stomme verbazing zag ik ineens iets in de auto liggen wat ik helemaal niet herkende. Toen viel het kwartje. Een blik op het nummerbord bevestigde mijn geblunder. Drie auto’s verderop stond mijn eigen Corsa.

Uit deze gebeurtenis kwam bij mij de volgende gedachte op: ‘Kunnen we geestelijk niet ook zo onze blunders maken?’ Elke auto heeft zijn eigen sleutel. Is het geestelijk anders? Voor elk mens is er een specifieke sleutel om het hart van die mens te kunnen openen. Die sleutel heeft de Sleuteleigenaar. Waarom probeer ik het dan zo vaak om op mijn manier bij het hart van de ander te komen? Bij diegene die me zo lief is en waar ik me geestelijk zo’n zorgen om maak. Hoe ik ook wrik of probeer om met mijn sleutel het hart van de ander te openen, het zal me niet lukken. Er is maar één Persoon die dat kan: de Sleuteleigenaar. Hij heeft de specifieke sleutel in Zijn handen.

Door Marlies den Hertog-Koole

De afgelopen tijd hebben we nog nooit zo vaak het Kerstfeest gevierd als hier in Thailand. Maar, wat moet je je daar dan eigenlijk bij voorstellen in een Boeddhistisch land als dit? 

De meeste mensen hier weten eigenlijk niet waar het Kerstfeest over gaat. Een groot deel denkt dat het ‘het Westerse Nieuwjaarsfeest’ is. Wat de Thai ook kennen zijn de rood-witte kerstmutsen, de vele glitter-lichtjes en de kerstman (Santa Claus) met zijn cadeautjes. Verder gaat hun kennis van het Kerstfeest over het algemeen niet. Dat het om de geboorte van Jezus Christus gaat, hebben de meesten geen idee van. De Kerstdagen op 25 en 26 december zoals we in Nederland kennen, zijn hier in Thailand dan ook gewone werkdagen. Onze kinderen zijn gewoon naar school geweest deze dagen en hebben geen twee weken Kerstvakantie dus.

Maar, gelukkig is er in Thailand vrijheid van godsdienst en houdt men wel van een feestje. Voor de Christenen in Thailand en de zendelingen dus een ideale gelegenheid om te vertellen over de echte inhoud van het Kerstfeest. Dat is de reden dat wij de afgelopen periode heel veel het Kerstfeest gevierd hebben. Onder andere in de huizen van enkele christenen uit de gemeente van onze collega, waar wij naar toe gaan. Zij stelden hun huis open en nodigden buren en vrienden uit om samen Kerstfeest te vieren: kerstliederen zingen, luisteren/ kijken naar het Kerstverhaal en samen wat eten. Ook wij hadden ons huis opengesteld voor onze buren en bekenden. Overal kregen de gasten op het moment dat ze weer naar huis gingen een Kerstcadeau mee: een geïllustreerd Lukas-evangelie in het Thais.

Daarnaast zijn we op de Boeddhistische scholen van onze kinderen geweest om daar Kerstfeest te vieren. Als je er bij stil staat is het eigenlijk best bijzonder dat we hier we van harte welkom zijn. Moet je dat omgekeerd eens voorstellen. Maar, voor ons een prachtige gelegenheid om 400 kinderen en veel van hun leerkrachten het Kerstevangelie te vertellen. Ook daar kregen de kinderen natuurlijk een cadeautje mee, waaronder een stripboekje over het Evangelie.

Het Kerstfeest in de kerk vierden we op 24 december…inclusief Kerstmutsen en cadeautjes, want dit hoort erbij volgens de Thaise Christenen. Met als idee dat Jezus het grootste cadeau is dat aan de mensen wordt gegeven. Maar, voor de gemeente van onze collega was het een extra mooie dag, want in de week daarvoor hadden vier mensen aangegeven dat ze gedoopt wilden worden. Naast de geboorte van onze Here Jezus Christus, vierden we op die dag dat deze vier mensen Hem willen aanvaarden als hun Redder. Een totaal ander Kerstfeest dan in Nederland, maar minder mooi?

Door Jeannet de Jong-Bouw

Ieder jaar bekruipt het me weer… Stapels folders die met de week dikker en eenzijdiger lijken te worden, kleurrijke magazines in de supermarkt met talloze recepten en aanbiedingen, etalages die langzamerhand veranderen in kitscherige kermisjes van winkels waar uitsluitend nog zwarte of rode kleding verkrijgbaar lijkt te zijn. En dwars door alles heen in tuincentrum en winkelstraat het eindeloos gejengel van ‘stille nacht’ en ‘gloria’: Het is weer advent!

De adventsperiode kent al oude papieren. Al in de zesde eeuw wordt geschreven over een vastenperiode voordat het Kerstfeest begint. Ook in andere vroegkerkelijke geschriften wordt ter voorbereiding op de viering van het Kerstfeest geschreven over boete en inkeer. De liturgische kleur paars verwijst daar ook in onze tijd nog nadrukkelijk naar. Het diepe wonder van het Kerstfeest vraagt voorbereiding. Overdenking van het ongelooflijke wat in de kerstnacht plaatsvond: God, Die mens werd. Jezus, Zoon van de Schepper van hemel en aarde, Koning van de wereld, daalde af in de baarmoeder van een meisje en nam onze menselijke natuur aan. Zo lief had God de wereld… Hier gaat het licht schijnen van Gods genade voor een verloren wereld.

Wie de diepe vreugde daarvan beleeft, kan feestvieren! Juist nu, in een wereld waarin zoveel mensen donkerheid ervaren. Een donkerheid die zich niet laat verjagen met wat strengen kerstverlichting en een nieuw zwart jurkje. Die ook niet weggegeten kan worden met een overdadig diner. Alle mooie, knusse plaatjes in tijdschriften ten spijt: talloze mensen zien tegen de decembermaand op, ook in onze eigen omgeving. Enquetes wijzen uit dat 15% van de bevolking in ons land zich verveelt en zich eenzaam voelt met Kerst. Onder specifieke doelgroepen zoals ouderen, singles of alleenstaande moeders lopen deze cijfers schrikbarend op. Want als Kerstfeest vooral wordt voorgespiegeld als samen eten in je mooiste kleren, wat valt er dan te vieren als er slechts één bordje op je tafel staat?

Laten we als mensen die leven vanuit het wonder van Bethlehem daarom laten zien dat het anders kan. Dat we ons hart en ons huis een plek laten zijn waar het licht van Gods genade schijnt, voor onszelf en ons gezin, maar ook voor mensen om ons heen. Ook in onze gemeentes en straten zijn mensen die verlangend uitzien naar 2 januari. Die wetenschap moet ons als kerken, als vereniging of bijbelkring toch wegen doen vinden om wat licht te brengen. Om de blijde boodschap van het Evangelie niet voor onszelf te bewaren en ons er in te wentelen in drie, vier of zelfs vijf opeenvolgende kerkdiensten. Maar om die kerkdeuren juist wijd open te zetten, zodat het gehoord en gezien wordt: in het zingen, in de verkondiging, in een gezamenlijke maaltijd, in een zangdienst, in een koffie-inloop voor de buurt. Vermoeide reiziger, hier is een herberg. Hier is het licht, hier ben je welkom. Want zo lief had God de wereld…

Laat zo de kaarsen branden: het is weer advent!

Door Marlies

De vakantietijd loopt al bijna weer ten einde. Op mijn werk heb ik collega’s in geen weken gezien en dan komen ze met een flinke teint bruinere huid ineens weer aanlopen. ‘Hoe was je vakantie?’

‘Perfect! Ik ben naar Kreta geweest. Het was elke dag mooi weer. Ideaal strandweer. We konden elke dag naar het strand. We hoorden van de inwoners van Kreta dat dat niet vanzelfsprekend was. Als er een te sterke stroming was of te harde wind zou er niet gezwommen kunnen worden. Wij troffen het, het was elke dag geschikt weer om in zee te kunnen. Ons hotel lag vijftig meter van het strand. We konden zo via een paadje vanaf het hotel naar het strand toelopen. Daar stonden de ligstoelen voor ons klaar. En als we wat nodig hadden… je gelooft het niet, dan trokken we aan het koordje en kwam er iemand van het hotel naar ons toe. Wat heeft u nodig? Bediening op onze wenken. Alles was top geregeld. ’s Morgens kregen we een verrukkelijk ontbijt, ’s middags hielden we siësta en daarna lagen we weer op het strand.’

Er had zich een andere collega bij ons gesprek gevoegd. Ze zei: ‘Dat klinkt echt hemels zeg’. Die opmerking bleef hangen bij me. Hemels?! Als dat zo ongeveer het plaatje van de hemel is, dan hoeft een christen niet bepaald verlangend naar de hemel te zijn.

Ik moet denken aan een ander gesprek, ook naar aanleiding van een vakantie. Zij, een jonge weduwe, was voor het eerst van haar leven op vakantie in Zuid-Afrika geweest. ‘Het was zo mooi daar,’ en ze mijmerde terug in haar gedachten. ‘Even vergat ik mijn leven in Nederland. Ik voelde me weer blij en gelukkig. Ondanks het verdriet dat ik daar wel met mijn kind, maar zonder mijn man was. Het had iets van de hemel.’

De hemel als bestemming. Dit leven op aarde vliegt voorbij. De hemel wacht. Dat geeft ons christenleven perspectief. Als vanzelf komt de vraag dan op: hoe zal de hemel zijn? Ik kan er zo weinig beeld van krijgen. Toch weet ik zeker dat de hemel heerlijker zal zijn dan ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Liefelijker dan onze vakantiebestemming ooit is geweest. Als Johannes het nieuwe Jeruzalem moet beschrijven zoekt hij de mooiste beschrijving die hij kan bedenken. Hij komt uit bij een stralende bruid! Hoe onvoorstelbaar zal het in de hemel zijn.

En dan toch die vragen die ik als mens – en waarschijnlijk ben ik daarin niet de enige – bij de hemel blijf houden. Zouden we dan helemaal niet meer aan het aardse leven terugdenken? Zouden we alle pijn en verdriet daar echt zijn vergeten? ‘Wat denk jij?’ vroeg ik aan die jonge weduwe? ‘Ja,’ zei ze stellig. ‘Toen ik op vakantie was in Zuid-Afrika, vergat ik al mijn zorgen van Nederland. Alsof Nederland en de mensen daar niet meer bestonden. Zo zal het in de hemel ook zijn.’

Ze had moeilijke jaren achter de rug. Toch kwam daar dat stellige antwoord. Het toonde me haar vertrouwen in God en in Zijn plan. Ik nam de boodschap mee: leer vertrouwen dat de hemelse Vader een hemel bereid waarin we ons volkomen thuis bij Hem zullen voelen. Het zal de plaats zijn waar we allereerst bij Hem, bij God zijn. Daar is het oude leven afgelegd. Zie, Ik maak alle dingen nieuw.

Dus mogen we vertrouwen én verlangen naar de hemel als een kind. Zoals mijn zus aan haar peutertje vroeg of ze mee wilde gaan naar de Hema. Mijn nichtje antwoordde: ‘Naar de hemel mama? Ja dat lijkt mij een goed idee…’

Door Marlies den Hertog

Lopburi, het stadje in Thailand waar we vorig jaar woonden voor onze taalstudie, staat bekend om de vele apen die er zijn. De apen daar worden als heilige dieren gezien en hen wordt daarom geen strobreed in de weg gelegd. Voor de mensen die er wonen of toeristen die er lopen, is dat niet altijd prettig. Die apen rukken gerust je flesje water uit je hand of je bril van je hoofd. Het zijn wat je noemt brutale apen, zowel de grote apen als de schattige kleine babyaapjes. Het zijn dus ook echte na-apers!

Door middel van na-apen of wat netter gezegd kopiëren of nadoen, leren ook wij mensen ontzettend veel dingen. Denk alleen al maar aan de ontwikkeling van praten bij kinderen: het gaan nabootsen van klanken en langzamerhand woorden. Na-apen is een belangrijke manier om te leren. Als je met kinderen omgaat, merk je dat dit zowel een positieve als een negatieve uitwerking kan uitwerking kan hebben. Zeg je bijvoorbeeld in het bijzijn van kinderen in je boosheid een keer een lelijk woord, dan is er een grote kans dat je dit woord zult terug horen uit hun mond. Kinderen volgen goede en slechte voorbeelden na. Niet alleen in hun spreken, maar ook in hun gedrag natuurlijk. Het is een open deur om te zeggen dat het dus belangrijk is om kinderen goed voorbeeldgedrag te laten zien.

Dat dat lastig kan zijn, hebben wij hier in Thailand pas weer ervaren. In de thuissituatie heb je invloed op het ‘voorbeeldgedrag’ dat je kinderen te zien krijgen. Maar, buitenshuis wordt het lastiger. Helemaal in situatie waar je als ouders er niet bij bent, zoals bijvoorbeeld op school. In ons geval betreft het dan een Thaise school en meestal is dat dan een Boeddhistische school. Omdat wij graag willen dat ook de kinderen de taal leren en wat Thaise vriendjes en vriendinnetjes krijgen, hebben wij ervoor gekozen om onze kinderen daarnaar toe te laten gaan. Daar zit echter een nadeel aan. Vooraf hadden we met de leerkrachten afgesproken dat onze kinderen niet mee hoeven te doen aan de Boeddhistische rituelen, omdat wij Christenen zijn. Eén van de rituelen is het groeten/aanbidden van een Boeddhabeeld en reciteren van teksten dat aan het begin van elke dag plaatsvindt. Ondanks dat onze kinderen dit dus niet hoeven te doen, zagen we tot onze schrik onze driejarige zoon ineens knielen voor een beeld. Gedrag dat hij duidelijk kopieert van de kinderen op school. Elke dag ziet hij dit alle andere kinderen doen op school. (Kinderen gaan in Thailand vanaf drie jaar naar school). Sinds we dit gemerkt hebben, leggen wij de kinderen elke dag weer uit dat zij niet tot het beeld moeten bidden, omdat wij alleen tot de Heere Jezus bidden. En ook met de leerkrachten hebben we hier opnieuw over gesproken. Hoewel onze driejarige zoon braaf knikt als we hem voorgaande uitleggen, weten wij niet 100% zeker hoe dit in de praktijk gaat. Kinderen zijn nu eenmaal geneigd met de groep mee te doen. Wat we geloven en waar we ook elke dag voor bidden, is dat de Heere God onze kinderen beschermd tegen verkeerde invloeden en boze machten. Dat is hier in Thailand namelijk heel reëel. Niet alleen Boeddhabeelden worden vereerd en aanbeden, maar ook de aanwezigheid van (boze) geesten is heel reëel voor de Thaise mensen.

Niet alleen kinderen doen na, ook volwassen mensen. Een ervaring als deze maakt je er weer extra van bewust, dat het belangrijk is dat wij in ons gedrag ‘leesbare brieven van de Heere Jezus zijn’ en om Zijn voorbeeld na te volgen!

Door Martine

Met regen en wind, kan het binnen zo vertrouwd huiselijk aanvoelen. Zo zat ik op een zondagmiddag op de bank. De regen tikte tegen het raam. Met een plaid over mij heen was ik blij dat ik niet naar buiten toe moest. Mijmerend keek ik naar buiten. Ik had energie en zin voor iets, ja wat? En ineens wist ik wat ik wilde gaan doen; het pakketje lag al jarenlang te wachten om gebruikt te gaan worden. Nu zou dat zomaar eens te maken kunnen hebben met het feit dat ik er geen ster in. Alleen een sterretje borduren, zo moeilijk is dat toch niet?

‘Eenvoudig borduren met een stiksteek’ stond er op het pakketje. Julian zette grote ogen op en zei wijselijk niets tegen mij. Ik zal het hier gelijk bekennen, ik heb in mijn hele leven nooit geborduurd. Het is mijn ding niet om zo te zeggen, na de mislukte naai-, brei- en haakwerkjes. Het borduurpakketje had ik van een goede vriendin gekregen en alleen al daarom wilde ik er toch aan beginnen. Ik bestudeerde de uitleg van de stiksteek eens. Ik ging aan de slag.

Wat een klein dun naaldje.. ik mopperde. De draad is er bijna niet door te krijgen. Na wat gefriemel en natmaken van de draad lukte het. Toen keek ik verbaasd naar de kleine stipjes op het tafellaken. Hoe kunnen die stipjes zo dicht op elkaar staan? Dat is vast een foutje. Kom op Martine, beginnen. Niet te precies kijken. Dat het goed ging? Nee. Dat het mooi werd? Nee. Dik en bobbelig kwam er een borduurlijn. Met moeite trok ik de naald en draad weer door een stipje heen. Te veel getrek en nu zag ik duidelijk een gat waar de naald was door gegaan. De eerste draad was al bijna op en ik had nog maar een klein stukje geborduurd. Wat een sterretje moest worden zag eruit als een gerafeld en verdord bloemblaadje. Ik zuchtte en bekeek het hele pakket eens beter. Hé, er zitten maar acht draadjes van die kleur bij voor het hele pakket? Dat is veel te weinig. ‘Julian, kijk nou, het ziet er niet uit en er zit te weinig draad in het pakket.’

De zin om verder te gaan was weg. Het was wel weer duidelijk dat mijn talent hier lag. Ik speelde met de draad om mijn vinger. Hij rafelde uiteen… en toen zag ik het. Wat een dommerik was ik geweest. Die dikke draad bestond uit zes dunne draden. Ineens begreep ik waarom de naald zo dun was, de stipjes zo dicht op elkaar stonden en mijn eerste sterretje zo’n rare dikke bobbellijn was geworden. Zou ik opnieuw beginnen? Zou ik er nog iets van terecht gaan brengen? Ja, ik trok de dikke draad eruit. Mijn geblunder was nog wel zichtbaar, toch kwam er daarna bij de tweede poging een vrij normaal sterretje tevoorschijn. Een eenvoudig dun lijntje, die de vorm van het sterretje weergaf.

Als een borduursel geweven; dat zei David. Met een fijnere naald dan wij konden bedenken, die de exacte vorm van ons als uniek mens heeft gecreëerd. Zo leerde ik die zondagmiddag dat ons grove onnadenkende handelen de gaten en de dikke bobbellijnen in ons leven veroorzaken. Maar als wij ons leven en het hele wereldgebeuren geven in de hand van de Schepper, Die het ‘borduurpakket’ heeft bedacht… dan komt er een kunstig werk. Eens zullen we het mogen zien en Hem erkennen dat het ver boven ons bidden en denken verheven was.

Door Jeannet de Jong-Bouw

 

 

'Eerst zorgen dat iedereen wat heeft…'

Bij de wekelijkse warme maaltijd in de daklozenopvang waar ik werk, is dat elke keer weer de uitdaging. Door ervaring wijs geworden zorgt de dienstdoende collega zelf voor het opscheppen van het eten, om te voorkomen dat de eersten in de rij hun bord zo vol laden dat er voor anderen niets meer over is. Eerst zorgen dat iedereen wat heeft, daarna kijken we wie nog wat meer kan krijgen.

Dit beeld komt steeds weer in mij boven, als ik nadenk over het verschijnen van de Vrouwenbijbel. Uiteraard ben ik dankbaar met een mooi vormgegeven Bijbel, met de doordachte inhoud, met de bedoeling om het Woord van God dichter bij het hart van vrouwen te brengen. Ik zie het ook zeker als een zegen dat we uit zoveel Bijbels kunnen kiezen en dat er zoveel mogelijkheden zijn om de boodschap van de Bijbel concreet te maken voor de specifieke leefsituatie van de lezer.

Toch knaagt er iets… Stilstaand voor de kast met Bijbels in onze plaatselijke boekwinkel zie ik tal van Bijbels in evenzovele vertalingen en uitvoeringen. Ik zie peuterbijbels, kinderbijbels en jongerenbijbels. Daarnaast de samenleesbijbel, de bijschrijfbijbel, de basisbijbel, de groene bijbel, de minecraftbijbel en de truckerbijbel. De stripbijbel en een bijbel met plaatjes in Lego- of Playmobiluitvoering. Of studiebijbels, huwelijksbijbels, grote letter bijbels en zakbijbels. Ik zie Groot Nieuws, Het Boek, NBG, NBV, GBS, HSV… Het duizelt je van namen en afkortingen als je alle uitvoeringen voorbij ziet komen. En als dan eindelijk de keus gemaakt is, komt de volgende stap: willen we bruin, zwart of blauw leer? Liever een hippe bloemenomslag of een stoere jeansuitvoering? Met of zonder duimgrepen? Met gouden sloten of met zilveren beslag?

Thuisgekomen bekijk ik het magazine van Open Doors. Beschaamd lees ik het verhaal van Chiu uit Noord-Korea. Samen met zijn vader heeft hij heel veel Bijbelteksten overgeschreven op kleine stukjes toiletpapier. Deze stukjes worden verspreid over verschillende huisgemeentes en als kostbare schatten gekoesterd tot ze uit elkaar vallen en onleesbaar geworden zijn. Het op zak hebben van één stukje beschreven toiletpapier kan je het leven kosten. Of het verhaal van Han-Jo, die 's nachts zijn leven waagt om ballonnen te zoeken die vanuit Zuid-Korea worden opgelaten met daarin Bijbelteksten op kleine USB-sticks. Ik herinner me een presentatie op een zendingsdag over de intense vreugde van de Bushmen in Botswana, toen eindelijk de Bijbel in hun eigen taal beschikbaar was. Huilende vrouwen en dansende mannen, die de enige Bijbel van het dorp om de beurt aan hun hart drukten.

Ik kijk even rond op de website van Wycliffe Bijbelvertalers en lees dat er nog 1800 talen zijn waarin geen enkele Bijbel beschikbaar is. 180 miljoen mensen kunnen niet beschikken over een (deel van een) Bijbel in hun eigen taal. En was dat niet juist de kern van de Reformatie, waar we dit jaar bij stil staan? De Bijbel werd weer beschikbaar voor iedereen, in de taal van het volk.

Onlangs werd in onze gemeente gepreekt over het gebed 'Geef ons heden ons dagelijks brood'. Het trof mij dat de Heere Jezus ons met nadruk leert te bidden om ons brood. Dit gebed bidden we in verbondenheid met mensen over heel de wereld en maakt ons ook voor elkaar verantwoordelijk. Zou dit ook niet van toepassing zijn op het Woord van onze God, als hét levende Brood?

Het maken van een nieuwe Bijbeluitgave kost veel tijd, menselijke inspanning en geld. Voorzichtig komt de knellende vraag in mij boven wat er zou gebeuren als we al deze tijd,deze inspanning en dit geld zouden besteden aan het vertalen en verspreiden van de Bijbel op plaatsen waar deze nog niet of nauwelijks beschikbaar is. Laten wij als CGK-Vrouwen ons verbonden weten met onze zusters en broeders overal ter wereld en zo elk op onze eigen manier ervoor zorgen dat eerst iedereen wat heeft…