Door Martine

‘Daar gaan we weer.’ Het was bepaald niet zo’n christelijke gedachte bij het begin van dit telefoongesprek. Ik wierp een blik op de rechteronderkant van het computerscherm naar die vier cijfertjes, die onbarmhartig de tijd door tikten. Dat ik dit gesprek in tien minuten kon afronden, kon ik vergeten. Toch probeerde ik nog een laatste poging om er snel vanaf te komen. De stress van alles wat er die dag nog op de agenda stond, zat al in mijn lijf. Nu dit er weer bij. Inmiddels weet ik wel wanneer het mis is bij een telefoongesprek, dit gesprek kon niet missen. De kramp in mijn schouders en nek nam toe, bij het horen van de radeloosheid aan de andere kant van de lijn.

‘Ik doe mezelf wat aan. Het liefst zou ik in de gracht springen.’ En dan ineens is de agenda van die dag niet zo belangrijk meer. Ik ga luisteren naar deze vrouw. Hier is een wankelend mens op de rand van de eeuwigheid. Zou ik de laatste zijn die ze spreekt? Bij deze gedachte schiet ik in de kramp op zoek naar woorden, wat moet ik zeggen? Ik weet niet hoe een ander op dit soort uitspraken zou reageren. Ik heb altijd een moment waarop ik geen raad meer weet hoe het gesprek verder moet. Hoe kan ik het gesprek ombuigen en een straal hoop bieden?

‘Ik sta voor mezelf niet meer in. Het liefst zou ik in de gracht springen! Alleen dat durf ik dan net niet.’ Dat laatste zinnetje stelt me even iets gerust. Ze vervolgt. ‘Als ik pillen in huis had, zou ik ze nu nemen.’ De geruste gedachte van net verdampt weer, pillen zijn zo gehaald. Voorzichtig informeer ik eens naar haar sociale omgeving. Is er iemand die ze vertrouwt en met wie ze kan praten? Is er niemand bij wie ze hulp kan vragen? De antwoorden zijn kort en de conclusie is snel gemaakt. Ja, ze heeft wel mensen om zich heen die haar bekritiseren en haar tot in het diepst van haar ziel kwetsen; die heeft ze genoeg. Geen enkel vertrouwenspersoon. Mijn vragen stuiten stuk op de nee-antwoorden. Ik geef het op, ik heb geen antwoord voor haar op de grilligheid van het leven. Haar problemen zijn complex en groot. Moet ik dan zo het gesprek eindigen, met niets?! Dat kan ik niet. Ik gooi de laatste lijn uit naar haar: ‘Uw nood is zo groot. Vindt u het goed als ik voor u zal bidden?’ Het ratelen aan de andere kant van de lijn stopt. En na de stilte hoor ik de brok in haar keel als ze zegt: ‘En daar ben ik nu mee geholpen. Dat u dát nu zegt.’

En daarna zijn de remmen los. Ik luister. De schrijnende levensgeschiedenis wordt ontvouwd. Hoe ze uitgespuugd werd door de familie van haar man en haar zelf, omdat ze met elkaar waren getrouwd terwijl ze niet van dezelfde kerk waren. Is dat nu de kerk? Hoe ze haar kinderen probeerde te beschermen tegen anderen, maar hoe ze zich uiteindelijk tegen haar verzet hadden. Hoe ze nu afscheid moest nemen van haar zieke man en ze het niet kon. Hoe ze laatst totaal hopeloos door het dorp fietste langs de kerk en in eens dacht: de kérk, daar moet ik zijn. Ze rende naar binnen en schreeuwde het uit: ‘Help mij, ik heb nu hulp nodig’. De aanwezigen keken op tijdens hun corona-vergadering. De dominee met zijn lange haar liep op haar af en beloofde haar dat hij straks langs zou komen bij haar thuis. Hij brak zijn arm en zij wachtte de hele avond voor niets. De kerk daar heb ik niets aan. Maar u zei net tegen mij dat u voor mij zal bidden. ‘Kijk en daar kan ik nu verder mee’.

‘Van welke kerk bent u?’ Die vraag was voor mij, zo aan het einde van het gesprek. ‘Doe mij maar die ene kerk,’ zei ik. ‘Die ene Kerk van Christus.’

Martine.

Door Marieke

Beduusd zit ik op de bank met mijn dampende kop thee en kindlief op schoot. Net terug van boodschappen doen gaan mijn gedachten terug.

Daar loop ik dan…Met kind, tas en schoongepoetste winkelwagen de rijen door om mijn waslijst aan boodschappen weg te vinken. Ik loop het derde gangpad in waarna ik bijna tegen een oudere dame op bots, die mij aankijkt alsof ik onrein ben. Ik prevel een pardon en ga anderhalve meter in zijn achteruit om haar met haar kar langs te laten. Kindlief zwaait erop los alsof het een lust is. Er kan geen lachje af… Ik geef een knikje en loop snel verder. Bij het vijfde gangpad begint mijn kar al aardig vol te raken en loop ik nog even naar de toiletartikelen. Een rolcontainer vol toiletpapier staat half in het pad en een winkelmedewerker zit er gehurkt naast om de vakken weer bij te vullen. Keurig vraag ik volgens 'het nieuwe normaal' of ik achterlangs mag passeren, omdat ik twijfel over de ander halve meter afstand. Ik krijg een nare opmerking naar mijn hoofd geslingerd. "Niet normaal", denk ik!
Dan kom ik een bekende tegen. We maken een praatje in het midden van het gangpad, waarna een winkelmedewerker om de hoek komt scheuren met haar bomvolle rolcontainer met koffieproducten. De helft valt op de grond, omdat ze tegen mijn volle boodschappenkar aan knalt. Ergens voel ik me schuldig omdat ik in haar ogen de schuldige ben. Oef…wat kijkt ze boos.
Uiteindelijk aangekomen bij de kassa leg ik al mijn boodschappen op de lopende band. In de vijfde versnelling bliept de caissière mijn boodschappen langs de scanner. Mijn brood, zakje chips, zakje sla en vleeswaren krijgen geen ander halve meter afstand en worden in elkaar geprut door de pakken melk, ijsthee en andere zwarigheden . Stiekem kijk ik geërgerd tussen het plastic door naar de caissière. Onverstoorbaar gaat zo door met bliepen.
Daarnaast gooit kindlief alles wat ik, zo snel als mogelijk, geordend in mijn niet-meewerkende boodschappentas stop er weer uit. Mijn ongeduld komt om de hoek kijken. Snel bedenk ik dat mijn winkelwagen mijn houvast is, mijn kindlief het prachtigste van iedereen en ik de mensen op anderhalve meter afstand om mij heen nodig heb, zoals de vakkenvuller en de ervaren caissière.

Morgen is het Pinksteren. Mijn boodschappen hebben inmiddels hun vaste plekje gekregen in koelkast en voorraadkast. Hoe zit het met het vuur van Gods geest in mijn hart. Ik bid of het onreine van mijn ongeduld, eigen bedachtzame houvastigheden, egoïsme en hoogmoed weggebrand mag worden door de heiligmakende werking van de Heilige Geest en of de vruchten van de Heilige Geest werkzaam mogen zijn.
Dan zal het een SOLI DEO GLORIA zijn. In hoogten, door diepten, en zal het zijn doorwerking hebben in het leven van alle dag. Zelfs tijdens het doen van boodschappen. Lees Galaten 5:22 maar.  

Door Martine

‘Knip knap’ zei de schaar. ‘Nog even stil blijven zitten’ zei de kapper. Maar Jip rende er van door.

Er zijn van die leuke kapper-verhaaltjes. Jaar in jaar uit, was de kapper altijd mijn moeder. Tot de tijd daar was dat ik naar een professionele kapper ging. Bang uitgevallen voor een kapper ben ik nooit geweest. De keer dat mijn vlecht van 30 cm er af geknipt werd, zat degene naast mij met argusogen te kijken. ‘Weet je het wel zeker?’ Het korte koppie wat overbleef voelde voor mij heerlijk aan. Geen haar op mijn hoofd die er spijt van had.

Deze periode was het hoog tijd voor de kapper. Ik stapte de winkel in. De vorige keer had ik een handige snelle jongeman gehad. Ik blikte eens door de winkel, hij was er niet. Een andere jongeman bood zijn dienst aan. ‘Hoe wilt u het hebben?’ Ik legde het uit en wees met mijn hand aan tot hoe en waar ik mijn haar geknipt wilde hebben. Zijn Nederlands was niet al te goed. Geen probleem, mijn kapsel was niet al te moeilijk. Na een aantal knippen kwam de vraag opnieuw: ‘Hoe wilt u het hebben?’ Enigszins verbaasd vertelde ik hem hetzelfde. Het knippen ging wat aarzelend, zo leek het. Vanuit de spiegel zag ik hoe een andere vrouwelijke kapster ons vanuit haar ooghoeken in de gaten hield. Zoveel kan er niet misgaan beurde ik mij zelf op. ‘Wilt u laagjes?’ De argwaan wakkerde verder aan. ‘Laagjes?! Nee alleen glooiend langs mijn gezicht’. ‘Knip knap’ zei de schaar. Langs mijn gezicht vielen de plukken naar beneden. Nu kreeg ik het warm. Ik zag een grote hap in mijn haar verschijnen. Dit was niet de bedoeling.

‘Mevrouw, kunt u even helpen?’ Ik vertrouwde het niet langer en riep de hulp in van degene die het tafereel gadesloeg. ‘Hoe wilt u het hebben? Oh, het gaat helemaal goed mevrouw’. De jongeman knipte verder en met argusogen bekeek ik de voortgang. ‘Klaar!’ Ik keek naar mijn hoofd in de spiegel. Ik zag de happen in mijn haar of waren het de laagjes? ‘Nee, het moet een glooiende lijn worden!’ Ik had het niet langer warm, het zweet kwam op. Dit meen je niet. ‘Mevrouw, ik knip het wel even bij’. Drie knippen volgden en het resultaat was nog erger dan eerst. Toen was ik er helemaal klaar mee. Stop! De jongeman en de vrouw keken elkaar schaapachtig aan.

Thuisgekomen staarde ik naar mijn spiegelbeeld. Het zinnetje, wat ik ooit eens iemand had horen zeggen over een kapsel, kwam continue in gedachten: Alsof de ratten eraan gevreten hebben. Het geheel werd nog erger toen ik voorzichtig om mezelf probeerde te lachen. Bij het recente tandarts-bezoek was bij de afwerking van mijn tand het vijlen net iets te scheef gegaan. Het huilen stond me nader dan het lachen. Het gebeuren vroeg om eerlijkheid naar mezelf. Waar gaat het nu om bij mij? Om de innerlijke schoonheid? De ootmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God.

Hoe zou Jezus eruit hebben gezien toen hij vernederd werd? Hij zag er niet uit. Nee, Hij keek niet uit zelfmedelijden in de spiegel. Terwijl Zijn gezicht verbrijzeld was, keek Hij in liefde naar de mensen om hem heen. Hij keek Petrus aan met Zijn ogen en die blik verbrijzelde Petrus hart.

Ik blikte verward in de spiegel. Een ijdeltuit vond ik mezelf niet of was mijn uiterlijk toch veel belangrijker dan ik altijd had gedacht? Met grote stappen liep ik naar de keuken en kwam terug met de schaar. ‘Knip knap’ zei de schaar. Met elke knip die ik deed voelde ik een stukje zelfvertrouwen terug komen. De grote happen verdwenen. Her en der zag ik wel wat uitsteken, maar dat was niets in vergelijking met wat het geweest was.

De dagen daarna kwamen de opmerkingen: ‘Martine, ben je bij de kapper geweest? Wat zit je haar toch leuk…’

Door Anneke Visser

Anneke Visser woont samen met haar man en 4 kinderen

anderhalf jaar in een pastorie die stamt uit het jaar 1877.

Ik ben verliefd! Tot over mijn oren!

Alle symptomen wijzen erop. Mijn ademhaling versnelt, wanneer ik de vier meter hoge trap opren. Ik krijg klamme handen wanneer ik met een ragebol naar de hoge plafonds reik en knikkende knieën wanneer ik hoog op de ladder de ramen zeem. Ik loop met mijn hoofd in de wolken en zing. Hard. Alle liedjes die ik ken. Het galmt door de gewelfde gangen. Van ‘Drie kleine kleutertjes’ tot en met Bach en Berthier. Maar het zijn vooral de psalmen, die met kop en schouder en de schoonste galmen boven alles uitstijgen.

 

Verliefde mensen willen alles weten over het voorwerp van hun verliefdheid. Zo ook ik. Nieuwsgierig dwaal ik rond, neus in kasten, beklop muren en ontdek zowaar een geheime kamer. Een verborgen ruimte met wel een klein venster, maar geen deur… Dat prikkelt mijn fantasie. Verborg de predikant hier het archief ‘Zonden Der Gemeenteleden’? Is dit de schuilplaats van de door mevrouw ontvreemde zilveren avondmaalsbekers? Of werden de domineeskinderen op deze plek opgesloten, wanneer ze zich misdragen hadden? 7 dagen op spinnenkoppen en droog brood.

 

Waar het hart vol van is, loopt de mond van over. Elke bezoeker van de pastorie krijgt een gratis rondleiding, waarbij ik vol enthousiasme wijs op de authentieke ornamenten, de hoge plafonds, de glas-in-loodramen… Maar wanneer ik klaarsta om de geweldige akoestiek te bewijzen, wordt ik geïnterrumpeerd. ‘Die ornamenten zijn hooguit 40 jaar oud’, deelt de eerste bezoeker mee. Hij werkt bij monumentenzorg. ‘Hoe zit het met de stookkosten?’ vraagt bezoeker twee. Hij is installateur. ‘Ik zie het glas wel, maar waar is het lood?’, vraagt bezoeker drie, die ook ergens verstand van meent te hebben.

 

Ik zwijg gekwetst.

 

Wanneer ze de pastorie weer verlaten, sluit de zware deur zich klagend en kreunend. ‘Stil maar’, fluister ik en streel het oude hout. Kijk, dat is geen verliefdheid meer. Dat is ware liefde.

 

Door Martine

November, stookmaand. Bij de avondwandelingen in het donker wordt mijn oog onweerstaanbaar naar de woningen getrokken waar de gordijnen open zijn en het licht brandt. Kinderen spelend op het vloerkleed in de zacht verlichte kamer. De man onderuitgezakt op de bank. De pot voor het raam en de brandende kachel. Even een blik in het huiselijke leven van een ander. Ik adem een moment de sfeer van de woning in. Bijna letterlijk, want buiten ruik ik het haardvuur. Stookalert of niet, schadelijke rook of niet, het is de geur van herinnering.

We zaten met elkaar om het vuur. De nacht kwam gestaag dichterbij. De sfeer was ontspannen geworden. De reünie was geslaagd. Niemand had meer zin om op te staan. Het was alsof we elkaars aanwezigheid nog even vast wilden houden. Zouden we elkaar zo ooit weer ontmoeten? We staarden naar een enkel kleine vlammetje die her en der tussen de kooltjes opdook. Het grote vuur was veranderd tot een smeulend hoopje. ‘Stelletje slaapkoppen, jullie laten het vuur bijna uitgaan!’ Hans, kordaat als hij was, begon het vuur op te porren. De kooltjes dicht tegen elkaar begonnen weer te gloeien. In een mum van tijd knetterden de vlammen, het vuur was terug. ‘Kijk,’ zei Esther, ‘zo is het nu ook met christenen. Zoals die kooltjes bij elkaar weer tot een vuur worden, zo moeten wij elkaar oprakelen. We hebben elkaar als christenen nodig. Zo steken we elkaar aan met hoop, met liefde, met kracht of wat we ook nodig hebben.’

Terug naar vandaag, een gewone novemberdag. Mijn spreekuur loopt op schema. Alle tijd voor de eerstkomende patiënte. Zittend tegenover mij nemen we door hoe het de afgelopen tijd is gegaan. ‘O ja, en de volgende controle dan kan ik niet komen. Dan ga ik naar Kenia.’ De mededeling komt voor mij nogal uit de lucht vallen. Ik kijk naar het persoontje tegenover mij. Kenia? Het aantal grijze haren overtreft veruit haar donkerblonde haren. Zij oogt niet als een reislustig type of laat ik zeggen een krachtdadig figuur die de wereld zal veranderen. ‘Kenia?’ vraag ik aarzelend.

‘Het is een lang verhaal. Wilt u het weten?’ Ze wacht mijn antwoord niet af en begint haar verhaal. Ze is nog geen twee zinnen verder of ik voel dat deze ontmoeting niet toevallig is. Ik begrijp ineens waarom de volgende patiënt zijn afspraak moest afzeggen. Nu heb ik de tijd om dit verhaal te kunnen horen. Dit verhaal is voor mij. Heel eenvoudig vertelt ze over haar leven. Ik luister naar de geschiedenis van een christen. Hoe God werkt en hoe Hij roept. Gisteren en vandaag. Door de moeite en het verdriet heen. Ik kijk naar haar ogen en zie de weerspiegeling van mijn eigen emotie in haar ogen. De hoop van haar verhaal is ook de hoop van mijn leven.

Zomaar zo onverwacht deze ontmoeting en ik voelde het vuur van geloof in mij aangewakkerd worden. Dank u God! Wat een kostbaar geschenk dat we elkaar ‘aan mogen vuren’.

Martine

Door Jeannet de Jong

Struinend door de kringloop kom ik ze regelmatig tegen: stapels wandtegels en tekstborden met bekende woorden. ‘God heeft ons geen kalme reis beloofd, maar wel een behouden aankomst’. Of: ‘Ik leg de namen van mijn kinderen in Uw handen’. Woorden die iets laten zien van hoe mensen jaren geleden leefden en waarin ze hun houvast zochten. Woorden die getuigen van moeite en zorg, maar ook van eenvoudig geloofsvertrouwen. Een testament op tegels…

Steeds vaker bekruipt me de vraag wat voor testament onze eigen generatie achterlaat. Wat zullen mensen tegenkomen, als ze over tientallen jaren door de kringloopwinkels dwalen? Aan mooie tegels en tekstborden geen gebrek. De christelijke boek- en cadeauwinkels staan er vol mee: ‘Jij bent waardevol’, ‘Jij bent geliefd’, ‘Mooi mens’, ‘Jij bent een parel’. Zomaar een selectie uit de meest verkochte spreuken.

Wat zegt het over ons, dat dit blijkbaar de boodschap is die ons raakt en aanspreekt? Dat wij christenvrouwen het massaal nodig hebben een aai over onze bol te krijgen en keer op keer de bevestiging wensen dat wij toch wel heel bijzonder en waardevol zijn? Wandborden, tekstkaarten, theeglazen, dienbladen, sleutelhangers, pennen, notitieboekjes… We kunnen ons omringen met lieve boodschappen en ons huis er vol mee hangen.

Tegelijk houdt ook de stroom van ‘christelijke’ zelfhulpboeken aan. ‘Hoe krijg ik meer rust’, ‘Hoe vind ik balans’, ‘Wie mag ik zijn’, ‘Powervrouw in 30 dagen’ enz. Wie dit op zich in laat werken krijgt de indruk dat er toch iets mis gaat. Dat wij met al onze luxe, onze mondigheid, onze kanjer- en assertiviteitstrainingen, onze vrolijke, lieve christelijke gadgets ten diepste onze leegte en onrust niet kunnen verbergen. Dat velen van ons de stroom van mooie posts op sociale media niet kunnen bijbenen, dat anderen moe worden van het opleuken van hun selfies, om altijd en overal de schijn op te moeten houden een gelukkige, zelfbewuste, moderne christelijke vrouw te zijn.

Hoe is het toch gekomen dat de oude tegelwijsheden, die veelal bestonden uit geliefde en beproefde Bijbelteksten niet meer voldeden? Dat we opgehouden zijn ons houvast en onze basis in Gods Woord te vinden en in plaats daarvan de schijnwerpers op onszelf zijn gaan richten? En wat valt dat vaak tegen: Heel wat muren zouden volgehangen kunnen worden met teksten als ‘Jij bent jaloers’, ‘Jij schiet tekort’, ‘Somber mens’, ‘You’re not a blessing’…

Waar vinden we echt houvast, rust en zelfvertrouwen anders dan in Gods Woord? In Zijn onwankelbare beloften van genade en trouw. Niet omdat wij zulke mooie, waardevolle parels zijn, maar om wie Hij is in Jezus Christus. Staande voor de spiegel weet ik mij waardevol en geliefd, omdat Zijn Naam onuitwisbaar op mijn voorhoofd staat. Omdat Hij weet hoe wij zijn, ook als niemand het ziet en er geen camera in de buurt is.  En toch gaf Hij Zichzelf, Zijn leven gevend aan het kruis.

Vanuit die basis mag ik leven en mens zijn, gericht op anderen. Hoef ik me niet mooier voor te doen dan ik ben, mag ik komen met al mijn tekortkomingen en mijn falen.

Nog een plekje over aan de muur? Ga opnieuw naar de kringloop en zoek eens naar een kruis… Hang hem op een centrale plek in je huis en sta er elke keer even bij stil: Zo lief heeft God mij, dat Hij Zijn Zoon gegeven heeft…

Door Martine

‘Er kan helemaal geen woning op die grond gebouwd worden.’ ‘Pardon, wat zegt u?’ Hadden we het goed verstaan? Na vier maanden wachten was er eindelijk een antwoord gekomen. Weer een teleurstelling en een duidelijk: nee.

De zoektocht naar een ander huis verliep niet zoals we gehoopt hadden. Het huis aan de Zuiddijk waar we wat in zagen. ‘Nee, helaas het is een bedrijfspand.’ Het wat oudere huis aan de Bosweg verscholen achter de bomen. ‘De keuring laat verzakking zien, nee, we raden het jullie niet aan.’ De Emmastraat; juist toen wij het wilden bezichtigen overleed zij die ons lief en dierbaar was.

We gooiden onze zoektocht om. Van bestaand huis naar nieuwbouw. Op zoek naar een stuk grond. En nu? Zelfs het stuk grond was op niets uitgelopen. Het was te opvallend, al die keren: nee. In mijn hoofd wist ik de Bijbeltekst wel. Alle dingen werken mee ten goede voor hen die geloven. Klopte dat zinnetje nog wel, had het geen kleine verandering nodig? Ten goede voor wie, met name voor anderen?

De tijd tikte door. Een jaar gezocht en niets gevonden. We waren vastgelopen. Links, rechts of terug? Ik had geen flauw idee meer hoe en waar verder moesten zoeken. Ik voelde dat er een beslissend antwoord moest komen. De tijd was rijp. De hele rij huizen waar we mee bezig waren geweest, legde ik bij God. ‘Heere God! Tot slot het stuk grond en nu het grote vraagteken wat is over gebleven. Waar wilt U ons hebben én hoe zullen wij het nog te weten moeten komen?’

Na het bidden deed ik mijn Bijbel open, gewoon daar waar ik gebleven was. De eerste tekst… die paar woorden. God sprak. Het was meteen duidelijk. Dat huis, dat huis waarvan wij gedacht hadden dat het hem niet zou worden en waar we bij voorbaat al niet meer naar gekeken hadden. Dat huis had God voor bestemd.

Ik herinnerde me de uitspraak van een oude vrouw uit onze gemeente: ‘Als God iets heel duidelijk aan je belooft of bekend maakt, dan kan dat weleens enorm bestreden gaan worden.’ God had gesproken, het was Zijn stem. De feiten spraken anders. Na contact met de verkopende partij, bleken wij niet de enige te zijn. Zeven wachtenden voor ons. Na weken wachten zag ik die onverwachte dikke zwarte letters op het huis: verkocht. Verkocht aan een ander. Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik het las. De verkopende partij bevestigde het bericht op de dag voor de overdracht bij de notaris. Ik hoor me zelf nog stamelen aan de telefoon: ‘Weet u zeker dat het doorgaat? Stel dat… wilt u mij bellen als het misschien niet door gaat?’ Het zal vast raar geklonken hebben. In mijn hart ging het tekeer. Dit kan niet doorgaan, dan is God onbetrouwbaar. Of had ik Zijn stem zelf laten klinken? Hoop, twijfel, dwars door elkaar heen.

De volgende dag moest ik werken. Elk momentje dat ik kon, greep ik mijn mobiel. Stel dat?! Geen oproep. Er gebeurde niets en de storm in mijn hart werd groter. De dagen gingen voorbij. Het werd zondag. Tijd voor de kerkdienst. Wat had ik eigenlijk nog te zoeken in de kerk? Daarbij was het een doopdienst van bekenden, toevallig? Bij het dopen zag ik hoe mijn vriendin het babyhoofdje in haar handen vasthield. Beschermd door haar handen, veilig vastgehouden, zo werd het kleintje gedoopt. Het ontroerde me. Was dit niet één van de beloften van de Heilige Doop? Precies zó wil God de Vader voor ons zorgen met Zijn armen veilig, dragend en beschermend onder ons leven. Ik keek toe met de brandende vraag die voor mij overbleef: Waar was God, de God die ook mij gedoopt had, waar was Hij in mijn leven gebleven?

Diezelfde week ging mijn telefoon. Het nummer herkende ik uit duizenden. Alle twijfel smolt weg. God is volkomen betrouwbaar! Hij spreekt en het gebeurt! Ik nam mijn telefoon op. ‘Zeg Martine, heb je nog belangstelling voor dat huis?’

Door Anneke Visser

 

 

Anneke Visser woont samen met haar man en 4 kinderen

anderhalf jaar in een pastorie die stamt uit het jaar 1877.

 

De vrouwenmoordenaar

 

‘Ga je daar wonen? O kind…’ Ontsteld kijkt ze me aan en voegt er onheilspellend aan toe: ‘De vrouwenmoordenaar…’ Ongerust veer ik op. De vrouwenmoordenaar? Heb ik iets gemist? ‘Wist je dat niet?’, vraagt ze meewarig, ‘Het hele dorp weet dat toch?’ Nu heb ik een aantal jaren buiten het dorp gewoond, maar dit nieuws had ik toch moeten horen. Het moet gebeurd zijn voor mijn tijd, zo’n verhaal wat doorgegeven wordt op leugenbankjes en late verjaardagen. En mijn moeder heeft me daar natuurlijk voor behoed. Zij las me voor uit W.G. v.d. Hulst en beschermde me tegen de boze wereld.

 

Maar als het werkelijkheid is, moet ik het nu wel weten. Tenslotte ga ik wonen op het plaats delict. Waar zou het gebeurd zijn? In de kelder? Die is luguber genoeg. En welke arme vrouwen waren slachtoffer? Het angstzweet breekt me uit. Ik wil het niet horen. Ik ben van de verhalen vol rozengeur en maneschijn, van eind goed, al goed. Geen thrillers.

 

Maar gelukkig, het blijkt maar bij wijze van spreken te zijn. Volgens de dorpelingen bezorgt zo’n groot huis de deugdzame huisvrouw zoveel werk, dat zij afgesloofd en afgemat vroegtijdig naar het kerkhof gedragen kan worden. Het ging dan wel voornamelijk om de dienstboden, die ter beschikking stonden van de dominee en zijn vrouw en al boenend te vroeg verouderden.

 

Maar helaas, ik leef in deze tijd. Zonder dienstbode. Die is niet bij de huurprijs van de pastorie inbegrepen. Op de plaats waar ooit haar bedstede was, is nu alleen een muurgrote afbeelding van ‘Het melkmeisje’ van Vermeer te zien. Ook een dienstbode. Werkershanden. Een vermoeide blik.

 

De arme meid. Daar staat ze nu. Als herinnering aan alle gedienstige dienstbodes uit vroeger tijden.

 

Maar gelukkig, ik leef in deze tijd. Met moderne gemakken. Ik race rond met een stofzuiger of op een zitmaaier en smeer ijverig anti-rimpelcrème. De vrouwenmoordenaar? Pffft, dat is een eng verhaaltje uit vroeger tijden.

Door Martine

Het nieuws sloeg in als een bom. Niemand zei iets. Het laatste wat ik wilde horen waren die goedbedoelde opmerkingen. Beter de stilte dan dat. Maar mijn hart schreeuwde naar diepe troost. Was die nu nog vindbaar? Waren er antwoorden op de vele vragen in mijn hart? Nee, ik had ze niet meer. Wie zou ze wel hebben? De drukkende stilte hield aan. Tot er een stem was die de stilte verbrak. Zijn stem was schor. ‘Laten we naar de Heere gaan…’

Zoals hij dat zei, zo kinderlijk eenvoudig. Tegelijk de diepe realiteit van bidden weergevend. Alsof we met z’n allen op dat moment letterlijk opstonden en naar Hem toe gingen, om het Hem te vragen. Zoals de Sunamitische vrouw na het overlijden van haar zoontje met een noodgang naar de man Gods is toegereden. Er staat dat de ezelin moest voortgedreven worden! Laten we naar de Heere gaan, onze enige Toevlucht. Er is geen reis voor nodig, we hebben alleen gevouwen handen nodig. Kom, ga naar de Heere toe.

Veertien paar ogen keken me aan. De meeste daarvan nadenkend. Ik herhaalde de vraag op
de club-avond: ‘Stel dat morgen je laatste levensdag hier op aarde is. Wat zou je absoluut wel willen doen en wat juist niet?’ Ze hadden pen en papier om hun antwoord op te kunnen schrijven. Her en der klonk nog een zucht, toen werd het stil en begonnen ze te schrijven.

Ik dacht terug aan die ene dag jaren geleden. De wekker ging ratelend af. Slaperig stapte ik uit bed. Na de boterham met hagelslag pakte ik de Bijbel voor het half uurtje stille tijd. Bezinning, voordat de drukte van de (werk)dag zou aanbreken. Waar ik het precies heb gelezen is me niet bij gebleven, de kern ervan wel: ‘U zult sterven.’ Met ontzetting herlas ik het gedeelte. Was dit de boodschap voor vandaag? Hoe langer ik erover nadacht, hoe zekerder het gevoel in mij werd en hoe meer vrede erin mijn hart kwam om naar de Heere toe te mogen gaan. Het half uurtje was zo voorbij. Het was tijd om naar mijn werk te gaan. Plotseling werd elke handeling van die dag gezet in het teken van de eeuwigheid. De laatste keer mijn tas op mijn fiets binden. De laatste keer de zon op zien gaan. De laatste keer het gejakker van de stad om mij heen. De laatste keer ‘goedemorgen’. Toen kwam ik op mijn afdeling. Zou mijn leven en mijn gedrag er vandaag anders uitzien, nu ik met mijn voet op de drempel van de eeuwigheid stond?

De jongeren hadden hun antwoorden opgeschreven voor wat ze wel of niet wilden doen op hun laatste levensdag. Extra lief willen zijn was een antwoord. Niet zondigen. Goed spreken over God. Bidden. Ja, wat is er mooier dan biddend ontslapen? Naar de Heere toe gaan én dan bij Hem blijven.

Naarmate die werkdag van jaren geleden vorderde, bleek hij even gewoon als altijd. Of misschien beter gezegd: ik deed precies hetzelfde als altijd. Ik wist niet hoe ik ineens anders moest leven of andere dingen moest zeggen. Hoe ik mijn leven had geleefd, dat hadden alle dagen hiervoor al laten zien.

Die avond had ik vrij. Ik ademde in en uit. Zou het stervensmoment zo komen? Wat zou ik nog gaan doen? Allerlei dingen leken te onbenullig voor woorden. Ik pakte de Bijbel. Woorden van eeuwigheid. De uren en minuten tikten voorbij. Ik werd moe en ging op bed liggen. De volgende dag werd ik wakker, tot mijn teleurstelling in mijn eigen slaapkamer. Er zouden toch nog meer dagen volgen.

Ons leven kent een geboortedag. Dagen van vreugde en verdriet. Misschien voor ons gevoel ook veel ‘gewone’ dagen, de dagen die juist ook ons leven kunnen tekenen. Tot onze laatste dag komt. En tot die tijd? Laten we naar de Heere toe gaan. Vandaag, morgen en overmorgen, totdat we bij Hem mogen blijven!

Martine

Door Anneke Visser

Heel toepasselijk wordt onze pastorie omringd door weilanden met schapen. Voor de hier wonende herders en leraars moeten ze een bron van lering en vermaak zijn geweest. Vooral in de lammertijd. Die maken wij nu mee. Dag en nacht roepen de lammetjes naar hun moeder. En hun roep lijkt zo op kinderstemmetjes, dat ik midden in de nacht in de slaapkamer van onze jongste kinderen sta. Ik hoorde ‘Ma-ma’, maar het blijkt ‘Meh-meh’ te zijn. Mijn eigen kinderen zijn, al schaapjes tellend, allang naar dromenland gegaan.

De schattige, kleine lammetjes worden al gauw eigenwijze pubers en voor onze ogen speelt zich een variant af op het bekende Bijbelverhaal over het afgedwaalde schaap. Een met meerdere schaapjes zelfs. Onze buurlammeren ontdekken namelijk een gat in de omheining en voor we het weten rent er ineens een groepje door de tuin. Zich niks aantrekkend van de blatende moederschapen, maken ze malle sprongen in het gazon en dansen door de borders. Ze kiezen eigen wegen en dat is in dit verhaal de doorgaande weg. Geen wolven, leeuwen en beren, maar wel verkeer. En dat kan net zo funest zijn.

Gelukkig komt er hulp en wel uit een heel onverwachte hoek. Tot grote verbazing van de kinderen komt er een auto, die door ieder kind wordt herkend. Een heuse politieauto! Deze stopt vlak voor het smeedijzeren hek van de pastorie en twee stoere politieagenten springen eruit. Van twee kanten naderend, drijven ze de schapen terug de tuin in. Ze zijn blijkbaar door de wol geverfd, want in een mum van tijd zijn de lammeren terug bij de kudde. De buurman komt verschrikt aansnellen en zorgt ervoor dat het gat in de omheining wordt gedicht.

Natuurlijk lezen we die avond voor we onder de wol gaan, het verhaal van de goede Herder en het afgedwaalde schaap. Met de moderne versie van weglopende lammeren op het netvlies, krijgt het verhaal weer een heel nieuwe dimensie. Maar de boodschap blijft hetzelfde. Over die genadige God, Die Zich ontfermt over afgedwaalde zondaren en hen weer veilig thuis brengt.  

Anneke Visser woonde samen met haar man en 4 kinderen anderhalf jaar in een pastorie die stamt uit het jaar 1877.